HET AMERIKAANSE ANTWOORD OP DE BEATLES
Ze werden Amerika’s antwoord op The Beatles genoemd, maar in commercieel opzicht konden The Byrds met die lauwerkrans weinig eer vergaren. Op tijd stoppen lukte de voorvaders van de folk-, space en countryrock al evenmin. Toch zou de popmuziek er zonder de muzikale visie van roerganger Roger McGuinn radicaal anders hebben uitgezien. ‘Ik voel me net de allereerste president van de VS als je zoiets zegt’, reageert de nuchter gebleven muzikant.
McGuinn, 62 intussen, beseft wel degelijk dat hij zijn plaatsje in de popgeschiedenisboeken dubbel en dwars heeft verdiend. Kan ook niet anders, als je de mede-aanstoker bent van Bob Dylans overstap naar de elektrische gitaar, een gebeurtenis die op zich al een lijvig naslagwerk verdient. In feite is de blakende invloed van The Byrds sinds de stille dood van de band in 1973 nooit getaand. In de jaren tachtig stond bijvoorbeeld een hele generatie van gitaarminnaars op die erg schatplichtig was aan de vocale harmonieën, dan wel het heldere gitaarpopgeluid en de folken country-neigingen van McGuinn en co. Denk aan R.E.M., maar ook aan The Bangles, The Long Ryders of Uncle Tupelo. Daarnaast namen onder meer Patti Smith, Tom Petty en Hüsker Dü Byrds-songs onder handen, en noemde het Schotse Teenage Fanclub een van zijn nummers een decennium later zelfs gewoon ‘Gene Clark’, naar misschien wel de getalenteerdste, maar ook minst bekende songschrijver van de klassieke Byrds-bezetting. Eigenlijk gaat er geen jaar voorbij of er duikt wel een groepje op dat zijn liefde voor The Byrds niet onder stoelen of banken steekt. Het Engelse The Stands is het recentste in de rij. “Ik beschouw wat die mensen doen in de eerste plaats als een eer, dus bekritiseer ik hen niet”, stelt McGuinn zich diplomatisch op. “Trouwens, ik krijg geregeld e-mail van beroemde muzikanten – neen, ik noem geen namen – waarin ze me vragen welke snaren, pick-ups of stemmingen ik gebruik. Die beantwoord ik ook allemaal.”
FOLKNAZI’S Roger McGuinn is altijd een gadgetfreak geweest. Eind jaren zeventig liep hij al met een mobiele telefoon ter grootte van een aktentas te zeulen, en enkele jaren later was hij een van de eerste Amerikanen die e-mailen kon. Niet verwonderlijk dat het nochtans zo natuurlijke geluid van ’s mans type-instrument, de twaalfsnarige elektrische Rickenbacker-gitaar, het resultaat is van technisch gepruts. “De noten van een Rickenbacker sterven betrekkelijk snel weg”, verklaart hij. “Om dat te compenseren, stuurden we het geluid op tamelijk hoog niveau door twee compressoren. Zo verkreeg je dat rinkelende effect – het werd bijna een windinstrument! We waren proefondervindelijk aan de slag gegaan om die dofheid teniet te doen, en plots hadden we iets.” Dat ‘iets’, dat na het hitsucces van ‘Mr. Tambourine Man’ (1965) en ‘Turn! Turn! Turn!’ (1966) voor eeuwig met The Byrds vereenzelvigd zou worden, had natuurlijk ook zijn wortels. Aan de Old Town School of Folk Music in zijn geboortestad Chicago had de adolescent Roger McGuinn zich begin jaren zestig al bekwaamd op de twaalfsnarige akoestische gitaar en de vijfsnarige banjo. “Vooral de historische waarde van folkliedjes sprak me aan: de melodieën, de verhalen, de mensen die ze brachten”, vertelt hij. “De folkrevival uit die dagen kwam toen nog maar net van de grond. De echte boom volgde pas toen The Kingston Trio en Peter, Paul & Mary via de radio bekendheid verwierven. Ik volgde misschien wel de trend, maar ik denk toch dat ik er enkele stappen op vooruitliep.” Dat ondervond McGuinn alleszins in de koffiehuizen van het New Yorkse Greenwich Village. Het waren pleisterplaatsen voor de puriteinse folkies die dweepten met The Limeliters of The Chad Mitchell Trio, en hun neus ophaalden voor alles wat naar pop rook. McGuinn, die The Beatles had ontdekt toen hij een tijdje in het befaamde Brill Building als songschrijver voor Bobby Darin had gewerkt, liet die invloed doorsijpelen in zijn solo-interpretaties van folktraditionals of Pete Seegersongs. Het werd hem door de ‘folknazi’s’, zoals hij het starre volkje ooit zelf bestempelde, niet in dank afgenomen. “Ik besefte echter dat ik op het goede spoor zat toen ik op straat de eigenaar van de club The Bitter End passeerde. Hij liep over Bleecker Street met een andere promoter, en op een gegeven moment wezen ze me aan: ‘Wat we nodig hebben, is vier gasten zoals hij daar.’ Toen wist ik genoeg.”
KOFFERS VOL GEL In Los Angeles trof McGuinn in Gene Clark en David Crosby wél gelijkgestemde zielen. De Fab Fourliefde van het drietal, dat zich al snel The Jet Set was gaan noemen, bereikte dankzij de film A Hard Day’s Night ongekende hoogten. De inmiddels toegetreden bassist Chris Hillman moest zelfs meerdere keren daags zijn krullenbol onder handen nemen om zijn haar op Beatles-achtige wijze te laten ‘vallen’. McGuinn lacht wanneer we hem aan zoveel jeugdige admiratie herinneren. “Ik kamde mijn haar natuurlijk ook zo, maar het mijne was een stuk welwillender. Ik weet nog dat onze manager een kapper had ingehuurd om met een koffer vol gels, sprays en haardrogers mee op tournee te gaan. Dat vonden we best. We hadden natuurlijk ook allemaal de Beatles-boots, en de kostuums met fluwelen kragen. Ik stond ooit tegen John Lennon en George Harrison te vertellen hoe iemand in Ciro’s, toen de beroemdste club van Los Angeles, onze pakken had gestolen. Waarop John zei: ‘Ik wou dat het ons was overkomen’.” (lacht) Maar The Byrds wilden meer zijn dan alleen Beatles-acolieten. Ook de lyriek van de folk, en dan vooral die van singer-songschrijver Bob Dylan, sprak hen aan. Men doet soms smalend over het feit dat The Byrds in hun carrière meer dan twintig van ’s mans nummers hebben opgenomen, en er in de vorm van ‘Mr. Tambourine Man’ ook hun doorbraak mee hebben geforceerd. Daarbij wordt over het hoofd gezien dat de nieuwe arrangementen vaak zo ingrijpend waren dat zelfs de auteur zijn songs niet herkende. McGuinn knikt. “Ik weet nog dat Dylan eens binnenstapte op een repetitie van ons, en ik hem een van zijn eigen liedjes voorspeelde. Waarna hij vroeg: ‘Wat was dat?’ Ik denk dat het ‘All I Really Want to Do’ was, waarvan we de maat net van 3/4 naar 4/4 hadden veranderd. Hoewel we die versie ook op single hebben uitgebracht, waren het Sonny & Cher die er gelijktijdig een hit mee scoorden. Toen ik Dylan kort daarna tegen het lijf liep, zei hij dat ik hem teleurgesteld had.” (lacht)
POPULAIRE MISVERSTANDEN Nochtans heeft het Roger McGuinn nooit aan ambitie ontbroken. Na het meesterwerk The Notorious Byrd Brothers uit 1967 kreeg hij het idee voor een dubbelelpee, die als een chronologie de hele geschiedenis van de Amerikaanse muziek zou overspannen: van stringband music, folk, bluegrass en jazz naar rock-’n-roll en synthesizermuziek. Jonge hond Gram Parsons, die was ingehuurd om toetsen te bespelen, bracht hem echter van het plan af. Het resultaat, de eerste volwaardige countryrock-lp Sweetheart Of The Rodeo, was er niet minder om. Het is overigens een populair misverstand dat Bob Dylan The Byrds de weg heeft gewezen naar de folkrock; in werkelijkheid was het andersom. Het feit dat Gram Parsons tot de aartsvader van de countryrock is uitgeroepen, doet McGuinn evenzeer de wenkbrauwen fronsen. “Eigenlijk vermengden wij het als oubollig beschouwde countrygenre al met rock-’n-roll voor hij tot The Byrds toetrad. Luister maar naar Chris Hillmans ‘The Girl With No Name’ op Younger Than Yesterday, of ‘Satisfied Mind’ op Turn! Turn! Turn!. Het is dus goed mogelijk dat wij in feite Gram Parsons het idee hebben geschonken. Wel is het zo dat hij de verspreiding van de countrymuziek als een missie zag, terwijl ik gewoon weer eens iets anders wou doen. Dat besefte ik pas goed toen hij mij uit mijn eigen groep wou gooien om me te vervangen door een steelgitarist. (lacht) Toen moest ik wel even aanstippen dat dat niet strookte met mijn idee van The Byrds.” Wat dat idee ook was, het had vele vertakkingen. Want omstreeks 1967 duldden The Byrds als een van de eerste pop- en rockgroepen een Moog-synthesizer in hun midden. Het genereerde een futuristische invalshoek waarvoor iemand de doopnaam ‘spacerock’ uitvond, eigenlijk een vroege vorm van psychedelica. “Ik hussel de dingen graag door elkaar, gewoon om te zien wat er dan gebeurt. Zie me maar als een gekke geleerde”, glimlacht McGuinn. “Al is elektronica tamelijk vroeg uit mijn systeem verdwenen. Je kon er heel wat boeiend lawaai mee maken, maar ik kwam eveneens tot de conclusie dat het niet zo’n muzikaal apparaat was als echte instrumenten. Toen ik de Moog kocht, veronderstelde ik dat je er symfonische muziek mee kon creëren, met strijkers, hobo’s en sitars en zo. Dat bleek niet het geval te zijn. Tegenwoordig zijn er synthesizers die dat wél kunnen, maar ik blijf in de eerste plaats een artificieel geluid horen. Daarom ben ik er nooit toe gekomen de Rickenbacker, of de gitaar in het algemeen, naar de hoek te verbannen.”
Na het initiële succes in hun beginjaren begon de groep steeds meer weg te hebben van een duiventil waaruit het ene na het andere lid het zwerk koos. Enkel Roger McGuinn, niet alleen de man met de meeste muzikale ideeën maar ook de technisch begaafdste muzikant van het stel, bleef van 1964 tot 1973 op post. Met zanger Gene Clark hadden The Byrds een waar songschrijfgenie in de rangen, dat evenwel als eerste opstapte. Officieel omwille van zijn vliegangst, maar eigenlijk waren het plotse succes, zijn alcoholprobleem en het gekrakeel met McGuinn hem boven het hoofd gegroeid. Commentaar van McGuinn: “You can’t be a Byrd if you can’t fly.” Zangergitarist David Crosby (zie later: Crosby, Stills, Nash en soms ook Young) was, naast de bron van de typische vocale harmonieën van de band, dan weer de hippie in hart en nieren wiens vrije-seksnummertje ‘Triad’ zelfs door de andere leden als smakeloos werd beschouwd. Chris Hillman kwam aanvankelijk aan de kost als bluegrassmandolinespeler, maar dat stond een rol als bassist in een popgroep blijkbaar niet in de weg. Samen met de latere interim-Byrd Gram Parsons was hij de grootste pleitbezorger van de countryrock-richting, een pad dat beiden als The Flying Burrito Brothers verder zouden opwandelen. Over de muzikale capaciteiten van Michael Clarke bestond de meeste discussie: de man was dan ook louter een congaspeler toen hij werd uitgenodigd achter de Byrds-drumkit plaats te nemen. Dit enkel en alleen omdat hij volgens McGuinn en Crosby op een kruising van twee Rolling Stones leek, te weten Brian Jones en Mick Jagger. Toen bovenstaand personeel tegen 1968 verdwenen was, sleepten The Byrds zich als een veredeld soloproject van Roger McGuinn naar hun einde in 1973. Gene Parsons, Skip Battin en Clarence White waren daarbij de vaste krachten.
|
|
|